Maak aftrekken makkelijker door op te bouwen

In plaats van terug te tellen, begin je bij het kleinste getal en tel je door naar het grootste. De sprongen ertussen geven samen het antwoord.

Bij 73 − 58 begin je bij 58 en ga je naar 60, dan 70 en daarna 73. Die sprongen zijn 2, 10 en 3. Samen is dat 15, dus 73 − 58 = 15. Met deze strategie maak je van aftrekken een paar kleine optelsommen die makkelijker uit je hoofd gaan.

Vind het verschil van 58 naar 73

Begin bij het kleinste getal. Ga vooruit in handige sprongen tot je bij het grootste getal bent en tel daarna de sprongen op.

73 − 58 = ?
Start 58
+2 Naar het volgende tiental
Stop 60
+10 Een tiental verder
Stop 70
+3 Naar het grootste getal
Klaar 73
Tel de sprongen op 2 + 10 + 3 = 15

73 − 58 = 15

Zo reken je 83 − 67 uit je hoofd uit

Vraag jezelf af hoeveel je van 67 naar 83 moet optellen. Ga via ronde getallen, zodat elke sprong makkelijk te onthouden is.

  1. Naar het volgende tiental

    67 + 3 = 70

    Begin bij 67. De eerste handige tussenstop is 70, en dat is 3 verder.

  2. Spring naar 80

    70 + 10 = 80

    Een sprong van 10 reken je snel uit en is makkelijk te onthouden.

  3. Eindig bij 83

    80 + 3 = 83

    De laatste sprong van 80 naar het grootste getal is 3.

  4. Tel de sprongen op

    3 + 10 + 3 = 16

    In totaal ben je 16 vooruitgegaan, dus 83 − 67 = 16.

Nog drie voorbeelden

De sprongen hoeven niet even groot te zijn. Kies tussenstops met ronde getallen, zodat de berekening makkelijk te volgen is.

63 − 58

58 → 60 (+2) → 63 (+3)

= 5

92 − 76

76 → 80 (+4) → 90 (+10) → 92 (+2)

= 16

100 − 87

87 → 90 (+3) → 100 (+10)

= 13

Kies sprongen die je kunt onthouden

Je hoeft niet elk getal te tellen. Gebruik liever een paar grotere sprongen die de berekening overzichtelijk houden.

Naar het volgende tiental

Vanuit 58 spring je 2 om bij 60 te komen. Ronde getallen zijn handige tussenstops.

Gebruik tientallen als het kan

Vanaf 60 kom je met een sprong van 10 bij 70, zonder dat het cijfer van de eenheden verandert.

Eindig met de eenheden

Vanaf 70 heb je nog maar 3 nodig om bij 73 te komen. Tel alle drie de sprongen aan het eind op.

Probeer nu 81 − 68

81 − 68 = ?

Begin bij 68. Welke ronde getallen kun je gebruiken op weg naar 81?

Toon het antwoord Verberg het antwoord
13

Ga van 68 → 70 (+2), van 70 → 80 (+10) en van 80 → 81 (+1). De sprongen samen zijn 13.

Wanneer opbouwen handig is

Gebruik deze strategie als je het verschil tussen twee hoeveelheden wilt vinden, vooral als het kleinste getal dicht bij een rond getal ligt.

Vergelijk scores

De ene score is 58 en de andere is 73. Tel vanaf 58 op om te zien dat het verschil 15 is.

Kijk wat er nog over is

Je hebt 67 van de 83 vragen gedaan. De sprongen van 67 naar 83 laten zien dat er nog 16 over zijn.

Controleer wisselgeld

Een artikel kost € 67 en je betaalt met € 80. Tel van 67 op naar 80 om te zien dat je € 13 wisselgeld krijgt.

Probeer opbouwen terwijl je speelt

Begin bij elke aftreksom met het kleinste getal en ga vooruit in handige sprongen. Tel de sprongen op zodra je bij het grootste getal bent.

Vragen over opbouwen bij aftrekken

Waarom werkt opbouwen bij aftrekken?

Aftrekken laat het verschil tussen twee getallen zien. Als je vanaf het kleinste getal vooruit telt, meet je datzelfde verschil.

Wanneer gebruik ik deze strategie?

Deze aanpak is vooral handig als de getallen dicht bij elkaar liggen of als het kleinste getal dicht bij een rond tiental ligt. Voelt een andere manier duidelijker voor een som, gebruik die dan gerust.

Is dit echt aftrekken als ik optel?

Ja. Je gebruikt optellen om een ontbrekend verschil te vinden. Bijvoorbeeld: 67 + 16 = 83, dus 83 − 67 = 16.

Moet ik elk getal tellen?

Nee. Spring naar handige ronde getallen zoals 60, 70 of 100. Een paar grotere sprongen zijn sneller en makkelijker te onthouden dan tellen per 1.